dinsdag 10 maart 2015

Analyse socio-demografische kenmerken: verbanden binnen socio-demografische kenmerken

Morgen komen we opnieuw samen met de gehele leeronderzoekgroep. Tegen dan moeten we zoeken naar verbanden binnen onze eigen groep. Ik doe samen met Jolijn en Elena socio-demografische kenmerken. Aangezien Jolijn zich nog even met SPSS bezig moest houden, heb ik de verbanden die mij relevant leken opgeschreven. Ik heb proberen zo volledig mogelijk te zijn, zodat we later nog kunnen schrappen wat irrelevant blijkt te zijn. Elena zal tegen morgen de lijst ook doornemen. Ik heb mijn bevindingen in het schuin geschreven en het resultaat is het volgende:

Demografische achtergrond

§  Q1: 73,60% van onze respondenten zijn van het jaar 93’ of 94’. We stellen hierdoor vast dat we de juiste doelgroep hebben bereikt en deze ook ongeveer het midden van 18 jaar – 25 jaar omvatten.

Dit resultaat is zoals verwacht.
We kunnen de eventuele correlatie nagaan tussen geboortejaar en huidige woonsituatie: wonen mensen met een hogere leeftijd meer alleen of met hun partner samen in de plaats van inwonend te zijn bij hun ouders? Maar is dit relevant genoeg voor het onderzoek (met als onderwerp tradities)?
We kunnen de eventuele correlatie nagaan met een gelovige opvoeding: hebben mensen met een hoger geboortejaar een minder gelovige opvoeding gehad (vanwege de steeds toenemende secularisering)?
Hierbij kan men ook de correlatie met levensbeschouwelijke rituelen nagaan en op welke partij men vandaag zou stemmen: is er hierbij een verschil tussen de leeftijdsgroepen?

§  Q2: vrouwen oververtegenwoordigd (60%) vs mannen (40%)

o   Misschien hebben vrouwen doorgaans meer emanciperende ideeën/denkbeelden(?)

§  theoretisch nagelezen/onderzocht worden

§  ‘oververtegenwoordiging’ significant ?

 

We kunnen de eventuele correlatie met vooropleiding en studierichting nagaan.
Er kan ook gezien worden naar de correlatie met de huidige woonsituatie: zijn vrouwen bijvoorbeeld meer inwonend bij ouders?
Verder kan er gezien worden naar de band met hun ouders: hebben vrouwen bijvoorbeeld een betere band met hun ouders?
Er is ook een eventuele correlatie met gelovige opvoeding: krijgen vrouwen een gelovigere opvoeding dan mannen?
Verder kan er ook nog gezien worden naar welk type school mannen en vrouwen gingen. Zit hier een verschil in naargelang geslacht?
Verschillen de levensbeschouwelijke rituelen en partijvoorkeur naargelang geslacht?
Vinden vrouwen een levensbeschouwelijke plechtigheid bij een huwelijk belangrijker dan mannen?

 

§  Q3: vooral ASO als opleidingsachtergrond (84,57%)

Is er een correlatie tussen vooropleiding en studierichting?
Is er een correlatie tussen vooropleiding en het behaalde diploma en de burgerlijke stand van ouders/voogd? Hebben respondenten met een hogere opleidingsachtergrond ook ouders met een hoger behaald diploma? Hebben respondenten van gescheiden ouders een lagere opleidingsachtergrond (maar is dit voldoende relevant voor ons onderzoek)?
Is er een correlatie tussen vooropleiding en land van afkomst?
Is er een correlatie tussen vooropleiding en gelovige opvoeding?
Is er een correlatie tussen vooropleiding en type lager en secundair onderwijs?

§  Q4: Voornamelijk studenten uit Letteren- en Wijsbegeerte (35.60%) hebben onze survey ingevuld gevolgd door Toegepaste Ingenieurswetenschappen (17.60 %). PSW richtingen (14,80%) staan onder de ingenieurs

Is er een correlatie tussen studierichting en het behaalde diploma en de burgerlijke stand van de ouders/voogd?
Is er een correlatie tussen studierichting en land van afkomst? Komen Nederlanders bijvoorbeeld naar België voor een bepaald type van studierichting?
Is er een correlatie tussen studierichting en gelovige opvoeding/levensbeschouwelijke rituelen?
Is er een correlatie tussen studierichting en type lager en secundair onderwijs?
Is er een correlatie tussen studierichting en partijvoorkeur?

§  Q5: Vooral 3de bachelorstudenten (77,78%)

Naar mijn mening zijn er hierbij geen interessante correlaties te vinden: meesten zijn afkomstig uit de derde bachelor, zoals verwacht.

§  Q6: normaal: evenveel broers als zussen

Is er een correlatie met al dan niet een gelovige opvoeding te hebben gehad? Hebben personen met meer broers/zussen een gelovigere opvoeding gehad of niet? In deze context kan men ook de relatie nagaan met levensbeschouwelijke rituelen.
Is er een correlatie met de burgerlijke stand van de ouders/voogd (maar is de relevantie hiervan voldoende voor ons onderzoek)?
 

§  Q7: vooral vader universitair diploma tov moeder

o   hoger onderwijs korte type = moeder

o   verschillende denkbeelden bij respondenten indien ouders ander diploma ?

 

We kunnen de eventuele correlatie met de burgerlijke stand van zijn/haar ouders nagaan (maar voldoende relevantie hiervan voor ons onderzoek)? Zijn hoger opgeleide ouders bijvoorbeeld meer getrouwd?
Is er een correlatie met gelovige opvoeding: geven ouders met een hoger diploma een minder gelovige opvoeding?
Is er een correlatie met type lager en secundair onderwijs? Sturen hoger opgeleide ouders hun kinderen meer naar een bepaald type van school?
Is er een correlatie met levensbeschouwelijke rituelen? Laten hoger opgeleide ouders hun kinderen bijvoorbeeld minder vaak dopen?
Is er een correlatie met partijvoorkeur: stemmen kinderen van hoogopgeleide ouders anders dan kinderen van laagopgeleide ouders?

 

§   Q8: groot deel van de ouders zijn getrouwd (68,82%). Een kleiner deel heeft gescheiden ouders (22,75%)

o   significante invloed burgerlijke stand ouders op verschillen in denkwijzen respondenten (?) cliché denkbeelden vb; scheiding; geen geloof in huwelijk

 

Is er een correlatie met de huidige woonsituatie van de respondent: wonen jongeren met gescheiden ouders bijvoorbeeld vaker alleen?
Is er een correlatie met het land van herkomst (maar is dit voldoende relevant voor ons onderzoek)?
Is er een correlatie met de sterkte van de band met zijn/haar ouders?
Is er een correlatie met gelovige opvoeding?
Is er een correlatie met levensbeschouwelijke rituelen?
Is er een correlatie met partijvoorkeur?
Is er een correlatie met al dan niet getrouwd willen zijn met een levensbeschouwelijke plechtigheid?

 

§  Q10: vooral inwonend bij ouders (zoals verwacht) (83%)

o   Antwoorden sign. verschillend van respondenten op kot (zie Q9) ?

Is er een correlatie met de band met zijn/haar ouders bv. inwonende bij ouders hebben een betere band met hun ouders?
Is er een correlatie met de levensbeschouwing van de partner en eventuele conflicten( bijvoorbeeld meer samenwonend met partner indien dezelfde levensbeschouwing)?


§  Q11: grootste deel Belgische = 88%

o   Nederlanders = 6,32% (verband land en andere tradities – verschil België en Nederland?)

Is er een correlatie tussen de band met zijn/haar ouders en land van herkomst (verschillen tussen landen in verband met de band met hun ouders, maar is dit voldoende relevant voor ons onderzoek)?
Is er een correlatie met gelovige opvoeding of niet?
Is er een correlatie met type lager/secundair onderwijs?
Is er een correlatie met levensbeschouwelijke rituelen?
Is er een correlatie met partijvoorkeur?
Is er een correlatie met dezelfde levensbeschouwing van de partner en al dan niet trouwen met een levensbeschouwelijke plechtigheid?

§  Q13: band met ouders: sterk en zeer sterk is ederlanders = elgische

§  s (zoals verwacht)

§  grootste deel!

o   43.39% zegt een goede relatie te hebben met zijn of haar ouders en 33.33% een erg goede relatie. Al bij al positieve resultaten (77% sterke relatie ouders)

o   in hoeverre worden ideeën worden ‘doorgegeven/opgenomen’ vanwege deze sterke relatie?

o   beetje te vinden in Q14 (gelovige opvoeding), en Q16 (levenb rituelen), Q37 (erediensten rond 12) Q38(erediensten met wie?), Q39 (levensb. Activiteit) , Q50, Q51

Is er een correlatie met gelovige opvoeding: hebben mensen met een gelovige opvoeding een betere band met hun ouders?
Is er een correlatie met levensbeschouwelijke rituelen?

§  Q14: Bij 63.79% heeft geloof geen of amper een centrale plaats in de opvoeding genomen. Maar bij 14% wel een ‘matige’ of zeer sterke plaats in de opvoeding. 21,55% zegt dat het gematigd is.

Is er een correlatie met type lager en secundair onderwijs?
Is er een correlatie met levensbeschouwelijke rituelen?
Is er een correlatie met partijvoorkeur?
Is er een correlatie met al dan niet dezelfde levensbeschouwing van de partner en trouwen met een levensbeschouwelijke plechtigheid?

§  Q15: De meeste hebben katholiek onderwijs gevolgd (271 personen) gevolgd door gemeenschapsonderwijs (123) voor zowel lager als secundair onderwijs

Is er een correlatie met levensbeschouwelijke rituelen?
Is er een correlatie met partijvoorkeur?
Is er een correlatie met partner met dezelfde levensbeschouwing en al dan niet willen trouwen met een levensbeschouwelijke plechtigheid?

§  Q16: Bijna iedereen heeft traditionele christelijke rituelen ondergaan zoals doopsel, eerste communie en vormsel. (70% - 80%). 11% zegt dat ze geen enkel ritueel hebben ondergaan

o   Dus je laat u wel dopen maar mensen ‘haken af’ bij eerste communie en nog meer bij vormsel

o   Toch vrij grote percentages van mensen die een significante en belangrijk levensbeschouwelijke plechtigheid hebben ondergaan (je kon er als baby / kind ook weinig veranderen aan de keuze van de ouders uiteraard)

We kunnen aan de hand van de gegevens hierboven vaststellen dat onze respondenten toch een sterk christelijk beïnvloedde achtergrond hebben, hetzij via de rituelen, de geloofsovertuigingen van thuis uit, enzovoort. We kunnen kijken of de gegevens die volgen deze hypothese verder staaft en/of dit in verband staat met de levensbeschouwelijke overtuigingen van de respondent zelf.

Is er een correlatie met partijvoorkeur?
Is er een correlatie met dezelfde levensbeschouwing van partner en al dan niet trouwen met een levensbeschouwelijke plechtigheid?

Overtuigingen van de respondent zelf

§  Q17: Groen = grootste partij en 15% geen mening

o   Bepaalde politieke strekking kunnen linken aan eerder emanciperend denken ?

o   Onze respondenten zijn voornamelijk studenten uit de faculteit Letteren- en wijsbegeerte, wat (volgens Ben) wel verklaart waarom Groen de meest gekozen partij is. (Als je naar de faculteit TEW trekt die je bijvoorbeeld een heel ander verhaal op dat vlak)

Is er een correlatie met dezelfde levensbeschouwing partner en al dan niet trouwen met een levensbeschouwelijk plechtigheid? Trouwen mensen die op CD&V stemmen meer met een levensbeschouwelijke plechtigheid, zoals volgens de Christelijke doctrine hoort?
Is er een correlatie met seksuele geaardheid? Stemmen heteroseksuelen anders dan niet-heteroseksuelen (maar is dit voldoende relevant voor ons onderzoek)?

§  Q18: meer dan 8,41% is biseksueel en homoseksueel ≠ opmerkelijk

o   grootste deel = hetero (90%)

o   correlatie geaardheid – geëmancipeerde/traditionele denkbeelden ?

Is er een correlatie met al dan niet dezelfde levensbeschouwing partner en al dan niet trouwen met een levensbeschouwelijke plechtigheid? We verwachten namelijk dat niet-heteroseksuelen minder willen trouwen met een levensbeschouwelijke plechtigheid.

§  Q19: De helft van de respondenten is single = normale gegevens

Geen relevantie correlaties hierbij te vinden naar mijn mening.

§  Q20: vooral zelfde levensbeschouwing

o   toch enkele verschillende levensbeschouwing

Is er een correlatie met conflicten in het kader van levensbeschouwing en of men deze conflicten verwacht in de toekomst?
Is er een correlatie met al dan niet getrouwd willen zijn met een levensbeschouwelijke plechtigheid? Koppels met een verschillende levensbeschouwing zullen volgens mij minder vaak willen trouwen met een levensbeschouwelijke plechtigheid.

§  Respondenten vraag overgeslagen (waarschijnlijk) omdat ze geen partner hebben

§  Q21: vooral geen conflicten over levensbeschouwing met partner (85%)

Is er een correlatie met het verwachten van levensbeschouwelijke conflicten in de toekomst (respondenten die reeds levensbeschouwelijke conflicten hebben zullen dit natuurlijk meer verwachten in de toekomst)?
Is er een correlatie met al dan niet getrouwd willen zijn met een levensbeschouwelijke plechtigheid?

§  Q22: ook niet in de toekomst conflict over levensbeschouwing met partner (82%)

§  Samenvatting: Van niet-single’s zegt 27.24 % dat er gelijkenissen en verschillen zijn in de levensbeschouwing van beide partners. Maar het merendeel (65.34%) heeft dezelfde overtuigingen. Maar 3.98% zegt dat ze totaal verschillende levensbeschouwingen hanteren. Ook heeft het merendeel geen conflicten met zijn/haar partner hieromtrent en verwachten ze dat ook niet.

Is er een correlatie met al dan niet getrouwd willen zijn volgens een levensbeschouwelijke plechtigheid?

§  Q24: 8% is zeker dat ze niet gaan trouwen, 35.69% weet niet of ze willen trouwen, 55.16% zegt dat ze wel willen trouwen

Is er een correlatie met al dan niet willen trouwen volgens een levensbeschouwelijke plechtigheid? Zullen mensen die zeker willen trouwen met andere woorden ook willen trouwen met een levensbeschouwelijke plechtigheid?

§  Q25: 40% van de mensen die zouden trouwen willen levensbeschouwelijke plechtigheid

o   31% weet het niet

o   waren ouders getrouwd?

o   Ik kan vaststellen dat de link tussen trouwen en levensbeschouwing nog steeds vrij relevant is, maar er bestaat wel enige twijfel over bij velen en er zijn sommigen die levensbeschouwing niet meer willen linken aan trouwen.

o   Zorgt het huwelijk als instituties voor een voortzetten van (christelijke) levensbeschouwelijke opvattingen?

 

maandag 9 maart 2015

Bijeenkomst bespreking analyseresultaten + datacleaning en codeboek SPSS

Op woensdag 4 maart zijn we met de docenten bijeengekomen om de eerste analyse, datacleaning en codeboek te bespreken. Wat er bij deze bijeenkomst gezegd is geweest is het volgende:


1 op 3 van de respondenten komen uit letteren en wijsbegeerte.
De promotie van de docenten was belangrijk in de responsgraad. 360 respondenten is namelijk zeer veel: 17,5% bereikt. Dit is niet slecht voor uitspraken van de populatie en geloofwaardigheid.
Statistieken omzetten in spss: er is namelijk geen gecleande dataset in surveymonkey. We kunnen wel zien hoeveel respondenten de vraag hebben overgeslagen. Hieruit kunnen we opmaken dat we alle studierichtingen in een dropdown menu moeten aanbieden.

We moeten tekst rond statistieken produceren bij beschrijvende statistieken. Tegen wat gaan we tabellen afzetten? We moeten kruistabellen maken. 
80% van de respondenten had geen levensbeschouwelijke opvoeding => school is dus belangrijk, maar waarom kiezen ouders om hun kinderen dan toch levensbeschouwelijke traditie mee te geven? Beschrijving per tabel geven en de structuur in grote blokken weergeven: hoe opbouwen en welke vragen meenemen? Mensen zijn trouw tot vanachter gegaan: de leefwereld bleef geprikkeld.
Veel vormsel, doopsels maar weinig gelovige opvoeding: veel komt dus vanuit het school. 

Er is een belonging without believing en cultuurchristenen: in rapport naar theorie terugkoppelen en aanbevelingen voor vervolgonderzoek doen. Mensen die voor letteren kiezen hebben andere overtuigingen dan TEW. Ingenieurswetenschappen hebben een hoger responspercentage dan letteren. Is het belangrijk van welke richting ze komen? Het absolute aantal letteren is groter. Moeten we de richtingen hercoderen? 

Vragen over toekomstige conflicten in relatie kunnen we eventueel weglaten volgend jaar.
We moeten over sociodemografische kenmerken rapporteren, vervolgens waarden en normen en ten slotte gedrag. Zijn er verbanden hiertussen? Geen verband is ook een resultaat! Er zijn verschillende focussen: we moeten kijken naar de theorie en die link maken. Theoretische inzichten leiden tot kruistabellen. 

Waarom is het interessant? Humane en positieve wetenschappen bijvoorbeeld tegenover elkaar zetten. Linken met de theorie is belangrijk samen met verleden, heden en toekomst: wat hebben ze meegekregen en wat willen ze meegeven? Wat zijn de correlaties met gedrag? Veel sociodemografische kenmerken zijn voor de hand liggend en veel open vragen zijn niet ingevuld. We moeten de terugkoppeling maken met reeds gebeurd onderzoek en theorie!
Zijn er meer 'Ik geloof niet in god' omdat respondenten hoger opgeleid zijn? Nu moeten we focussen op de inhoud. 

We moeten cijfers over het geheel universitair landschap opvragen van mannen en vrouwen: deze cijfers dikken ons dossier aan. We moeten ons onderzoek afzetten ten opzichte van het Vlaams niveau. Nu zijn er vier weken van analyse en moeten we open tabellen gaan combineren. We moeten iemand die goed is met theorie combineren met empirie. Nu moeten we veel samenwerken. Zijn er tussen de modules kruisingen nodig? In algemene conclusie moeten we iets over de onderzoeksvraag zeggen: speelt traditie nu mee of niet en op welk niveau en welke variabelen spelen hierin mee?

zondag 8 maart 2015

Eerste analyse resultaten

Ik heb de resultaten van de beschrijvende statistiek van Surveymonkey doorgenomen en genoteerd wat mij opviel. Aangezien ik meer met SPSS dan met analyse bezig hoorde te zijn, heb ik dit natuurlijk niet al te uitgebreid gedaan. Er was namelijk nog een apart groepje die zich bezighield met dit te noteren. Desondanks heb ik genoteerd wat mij opviel, zodat ik vertrouwd geraakte met de resultaten. Het resultaat is het volgende:

Beschrijvende statistiek Surveymonkey
Q1 Wat is jouw geboortejaar?
Meeste respondenten zijn geboren in 1994.

Q2 Wat is jouw geslacht?
Er zijn net iets meer vrouwen dan mannen die de vragenlijst hebben ingevuld (60/40). Wijst dit eventueel op een grotere interesse in tradities bij vrouwen?

Q3 Welke vooropleiding heb jij gehad?
De meerderheid heeft een vooropleiding in het ASO-onderwijs gehad. De minderheid heeft een vooropleiding in het TSO-onderwijs gehad en bijna onbestaande is een vooropleiding BSO en KSO.

Q4 Welke studierichting volg jij momenteel?

Meeste respondenten zijn afkomstig uit Letteren en Wijsbegeerte gevolgd door Ingenieurswetenschappen. De respondentgraad is de overige studierichtingen is gelijk verdeeld.

Q5 In welk jaar zit je? Indien je vakken hebt uit meerdere jaren, duid je het jaar aan waarin je de meeste vakken volgt.
De meeste respondenten zijn afkomstig uit de derde bachelor. De minderheid is afkomstig uit de tweede bachelor en een schakelprogramma. De eerste bachelor en master zijn amper vertegenwoordigd.

Q6 Hoeveel broers en/of zussen heb jij?
Wat mij bij deze resultaten opvalt is dat meeste respondenten slechts nul of één broer en/of zus hebben. De groep respondenten met twee broers en/of zussen is lager dan ik verwachtte.

Q7 Wat is het hoogst behaalde diploma van jouw ouders/voogd?
Het diploma van de moeder is gemiddeld lager dan het diploma van de vader. De hoogste groep bij de vaders heeft universitair onderwijs gevolgd en bij de moeders hoger onderwijs korte type.

Q8 Wat is de burgerlijke stand van je ouders?
Wat mij opvalt is dat de meeste ouders getrouwd zijn en zo niet gescheiden zijn of in een echtscheidingsprocedure zitten. Dit wijst op een traditioneel huwelijkspatroon in tegenstelling tot het hedendaags patroon van cohabitatie/alleen wonen.

Q9 In welke gemeente/stad woon jij? Typ de postcode in. Indien je op kot zit, geef dan beide.
Hieruit kunnen we afleiden dat de meerderheid van de respondenten niet op kot zitten.

Q10 Wat is jouw huidige woonsituatie?
Er is een duidelijke meerderheid ‘inwonend bij ouders’. Ik dacht dat het percentage ‘alleenwonend’ en ‘samenwonend met partner’ groter zou zijn.

Q11 In welk land ben jij geboren?
Ik verwachtte dat het aantal buitenlanders groter zou zijn, maar behalve voor Nederland is dit effect verwaarloosbaar.

Q12 In welk land zijn je ouders/voogd geboren?
Bij deze vraag is er iets misgegaan bij het weergeven van het overzichtsdiagram.

Q13 Hoe sterk is de band met jouw ouders? Vink het juiste antwoord aan, waarbij cijfer 1 staat voor 'onbestaande' en cijfer 5 voor 'zeer sterk'.
De band met de ouders is gemiddeld goed. De meeste respondenten gaven hun band met hun ouders namelijk een 4/5 gevolgd door een groep die de band met hun ouders een 5/5 geeft. Het aantal respondenten die de band met hun ouders een 3/5 is lager.

Q14 Heb jij een gelovige opvoeding gehad? Met gelovig bedoelen we of geloof een centrale rol heeft gespeeld tijdens je opvoeding. Vink het juiste antwoord aan, waarbij cijfer 1 staat voor 'zeer ongelovig' en cijfer 5 voor 'zeer gelovig'.
Ik had het percentage respondenten met een gelovige opvoeding veel hoger ingeschat. De meeste respondenten geven dit namelijk maar een 2/5 gevolgd door de groep respondenten die dit een 1/5 geeft.

Q15 In welke type school heb jij je lager en secundair onderwijs gevolgd? Zet een kruisje in het juiste vakje.
Wat mij opvalt is dat de meeste respondenten naar een katholieke (lagere en/of secundaire) school zijn gegaan. 150 respondenten minder gingen naar het gemeenschapsonderwijs. Van lager naar secundair onderwijs is er een verhoging bij het katholiek onderwijs en een verlaging bij het gemeenschapsonderwijs. Verder zie ik in de beschrijvende statistiek dat er meer respondenten naar een Freinetschool gingen in het lager dan in het secundair onderwijs.

Q16 Aan welke levensbeschouwelijke rituelen heb jij reeds deelgenomen? Meerdere antwoorden zijn mogelijk.
Ik had verwacht dat het percentage ‘doopsel’, ‘eerste communie’ en ‘vormsel’ lager zou zijn en het percentage ‘geen enkel levensbeschouwelijk ritueel’ hoger zou zijn. Ondanks de toegenomen secularisering is het aantal respondenten dat deel heeft genomen aan christelijke rituelen zeer hoog.  Is dit vanuit hun geloof of meer omdat ze ‘cultuurchristenen’ zijn?

Q17 Op welke partij zou je vandaag stemmen? Meerdere antwoorden zijn mogelijk.
Het aantal respondenten dat op Groen zou stemmen is veel hoger dan ik had verwacht. Voor de rest weerspiegelen de resultaten mijn verwachtingen. Uit het aantal respondenten dat ‘geen mening’ heeft gekozen blijkt dit toch nog een gevoelig onderwerp.

Q18 Wat is jouw seksuele geaardheid?
Deze resultaten liggen in lijn met mijn verwachtingen.

Q19 Heb jij momenteel een partner?
Het aantal respondenten met en zonder partner zijn nagenoeg gelijk. Ik zou denken dat er meer mensen op de universiteit met dan zonder een partner zijn.

Q20 Heeft jouw partner dezelfde levensbeschouwing als jij?
Hieruit blijkt duidelijk dat mensen zich aangetrokken voelen tot anderen met dezelfde levensbeschouwing.  Vanwege de secularisering zou ik denken dat de groep respondenten die ‘neen’ en ‘er zijn zowel gelijkenissen als verschillen’ geantwoord hebben groter zou zijn.

Q21 Heb jij al conflicten gehad met je partner in het kader van jullie levensbeschouwing?
De meerderheid van de respondenten heeft nog geen levensbeschouwelijke conflicten met zijn/haar partner gehad. Dit lag in lijn met mijn verwachtingen.

Q22 Verwacht jij in de toekomst levensbeschouwelijke conflicten met jouw partner?
Hieruit blijkt dat de meeste respondenten ook geen levensbeschouwelijke conflicten met zijn/haar partner verwachten. Ik had verwacht dat dit percentage lager zou zijn, aangezien er gemakkelijk levensbeschouwelijke conflicten over trouwen en opvoeding van kinderen kunnen ontstaan.

Q23 Ben je getrouwd?
Zoals verwacht zijn de meeste respondenten nog niet getrouwd.

Q24 Zo neen, ben je van plan om ooit te trouwen?
Ik had verwacht dat het percentage ‘ja’ hoger zou zijn. Er is echter een heel grote groep die nog niet weet of ze willen trouwen. Ik had verwacht dat de respondenten duidelijkere toekomstplannen zouden hebben.

Q25 Zo ja, was of zal dat dan met een levensbeschouwelijke plechtigheid zijn?
Hoewel de meerderheid ‘ja’ antwoordde, liggen de resultaten voor ‘ja’, ‘neen’ en ‘weet niet’ niet zover uit elkaar. Dit ligt in de lijn van mijn verwachtingen, namelijk dat er veel respondenten zouden zijn die niet met een levensbeschouwelijke plechtigheid willen trouwen.

Q26 Hoe belangrijk zijn volgende zaken voor een zinvol en goed leven voor jou? Duid het juiste antwoord aan waarbij cijfer 1 staat voor ‘totaal niet belangrijk’ en cijfer 5 staat voor ‘zeer belangrijk’.
De antwoordmogelijkheid ‘praten met andere personen over de zin van het leven’ is minder gekozen dan ik verwachtte. Duurzame relaties onderhouden en respect voor andere mensen wordt, zoals ik verwachtte, wel zeer belangrijk geacht voor velen. Geloof in reïncarnatie, leven na de dood, god en leven volgens de regels van je godsdienst wordt door weinigen nog als belangrijk aanzien voor een zinvol en goed leven te leiden. Dit is ook zoals ik verwachtte.

Q27 Wat vind jij van een seksuele relatie tussen twee personen van hetzelfde geslacht?
Ik had niet verwacht dat een zeer groot deel van de respondenten dit ‘helemaal niet verkeerd’ zouden vinden. Ik wist dat velen hier geen probleem mee zouden hebben, maar had niet verwacht dat dit percentage zo hoog zou liggen.

Q28 Welke van de volgende uitspraken leunt het dichtst aan bij jouw eigen mening?
Zoals verwacht antwoordde de meeste respondenten dat ze niet geloven in God. Er zijn wel nog een aantal respondenten die menen dat ze niet kunnen weten of God bestaat en een aantal respondenten die in een hogere macht geloven. Deze percentages zijn wel hoger dan verwacht.

Q29 Beschouw jij jezelf als gelovig? Duid het juiste antwoord aan waarbij cijfer 1 staat voor ‘zeer ongelovig’ en cijfer 5 voor ‘zeer gelovig’.
Uit deze resultaten blijkt dat er toch nog een aantal respondenten zijn die zichzelf als gelovig aanzien, hoewel de meerderheid zich als niet gelovig aanziet. Dit ligt in de lijn van mijn verwachtingen.

Q30 Wat betekent geloven voor jou?
Dit is een open vraag.

Q31 In welke mate geloof jij in…? Duid het juiste antwoord aan waarbij cijfer 1 staat voor ‘absoluut niet’ en cijfer 5 voor ‘heel erg’.
Er geloven meer mensen in leven na de dood dan ik had verwacht. Er zijn zeer veel respondenten die niet geloven in de hemel en in de hel en meer respondenten die geloven in eigen zingeving. Dit is zoals ik verwachtte.

Q32 Gelegenheden als huwelijk, begrafenis en doop niet meegerekend, hoe vaak woon jij dan levensbeschouwelijke rituelen bij? Hieronder verstaan wij georganiseerde bijeenkomsten van mensen binnen een levensbeschouwing met als doel actief bezig te zijn met gedeelde geloofsovertuigingen, meestal voorgezeten door een leidinggevend figuur binnen de levensbeschouwelijke gemeenschap.
Ik had verwacht dat er nog altijd een aantal respondenten op hoogdagen levensbeschouwelijke rituelen bijwonen, maar dit percentage is lager dan mijn verwachtingen. Levensbeschouwelijke rituelen bijwonen wordt dus niet veel meer gedaan.

Q33 Indien jij deelneemt aan levensbeschouwelijke rituelen, in hoeverre doe je dit omwille van het levensbeschouwelijke aspect? Duid het juiste antwoord aan waarbij cijfer 1 staat voor ‘niet belangrijk’ en cijfer 5 voor ‘zeer belangrijk’.
De mensen die hieraan deelnemen doen het meestal niet voor het levensbeschouwelijke aspect. Ik verwachtte eerder dat de mensen die wel hieraan deelnemen meer een soort van ‘die hards’ zijn en dit wel voor het levensbeschouwelijke aspect deden.

Q34 Hoe vaak neem jij deel aan levensbeschouwelijke feesten? Deze kunnen ook in de privésfeer gevierd worden.
Het percentage ‘meerdere keren per jaar’ is hoger dan ik verwachtte. Voor de rest liggen deze resultaten in de lijn van mijn verwachting.

Q35 Indien jij deelneemt aan levensbeschouwelijke feesten, in hoeverre doe je dit omwille van het levensbeschouwelijke aspect? Duid het juiste antwoord aan waarbij cijfer 1 staat voor ‘niet belangrijk’ en cijfer 5 voor ‘zeer belangrijk’.
Opnieuw dacht ik dat mensen die hieraan deelnemen een soort van ‘die hards’ zijn en dit wel deden voor het levensbeschouwelijke aspect. Bij deze vraag blijkt dit ook niet waar te zijn.

Q36 Hoe vaak bezoek jij zelfstandig een levensbeschouwelijk gebouw om geloofsredenen? Gewone vieringen, doopsels, huwelijken en begrafenissen dien je niet mee te rekenen.
In lijn met mijn verwachtingen is dit voornamelijk op hoogdagen, bijna nooit en nooit.

Q37 Hoe vaak ging je rond de leeftijd van 12 jaar naar levensbeschouwelijke erediensten?
Zoals verwacht zijn er toch nog een aantal respondenten die op die leeftijd eens per week of eens per maand naar levensbeschouwelijke erediensten gingen. Dit namelijk omdat de ouders en grootouders van onze generatie naar mijn mening geloviger zijn dan onze generatie.

Q38 Indien jij toen levensbeschouwelijke erediensten bijwoonde, in welk gezelschap was dit dan voornamelijk? Meerdere antwoorden zijn mogelijk.
Zoals verwacht was dit voornamelijk met ouders, grootouders en vanuit de school. Het percentage vanuit een jeugdbeweging is groter dan ik verwachtte.

Q39 Welke levensbeschouwelijke activiteiten werden en/of worden er uitgevoerd in jouw ouderlijk huis? Meerdere antwoorden zijn mogelijk.
Ik had niet verwacht dat zoveel respondenten ‘geen’ zouden antwoorden op deze vraag, maar dat ze in hun opvoeding meer met levensbeschouwing te maken zouden hebben gehad. Velen zijn namelijk gedoopt en hebben hun eerste communie en vormsel gedaan. Dit wees voor mij op religie in de opvoeding van de kinderen en eventueel een religieus gezin.

Q40 Vind jij het persoonlijk belangrijk dat er een levensbeschouwelijke plechtigheid wordt gehouden bij de volgende gebeurtenissen? Duid het juiste antwoord aan waarbij cijfer 1 staat voor ‘zeer onbelangrijk’ en cijfer 5 voor ‘zeer belangrijk’.
Ik zou denken dat respondenten dit belangrijker zouden vinden als overgangsritueel. Bij begrafenissen kan dit bijvoorbeeld een middel zijn om afscheid te kunnen nemen en het verdriet een plaats te geven, maar blijkbaar hebben meeste respondenten bij deze overgangen geen nood aan overgangsrituelen.

Q41 Wat doe jij als je een negatieve emotionele gebeurtenis ervaart? Meerdere antwoorden zijn mogelijk.
Zoals verwacht gaan meeste respondenten hiermee om door erover te praten.  Verder was het percentage bij sporten en creatief bezig zijn hoger dan ik verwachtte. Zoals ik echter wel verwachtte duidde ook veel respondenten aan dat ze er in dat geval niet over wilden nadenken.

Q42 Indien jij bidt, hoe vaak dan, afgezien van levensbeschouwelijke diensten?
Zoals verwacht bidden de respondenten (bijna) nooit.

Q43 Is er in jouw ouderlijk huis om geloofsredenen een levensbeschouwelijk voorwerp, afbeelding of tekst te zien?
Het percentage respondenten dat hierop ‘ja’ heeft geantwoord is hoger dan verwacht. Dit moet wel in de context geplaatst worden dat meeste respondenten nog bij hun ouders inwonen en die generatie naar mijn mening geloviger is dan de onze.

Q44 Indien jij 'ja' antwoordde: zou je dit voorwerp of een gelijkaardig voorwerp zelf in jouw huis plaatsen als je zelfstandig woont? Meerdere antwoorden zijn mogelijk.
Het percentage dat dit ook uit levensbeschouwelijke redenen zou doen wanneer zij/hij alleen woont is veel groter dan ik verwachtte. Zoals uit mijn uitleg bij de vorige vraag bleek, schreef ik de aanwezigheid van levensbeschouwelijke voorwerpen voornamelijk toe aan de ouders van de respondenten.

Q45 Draag jij in het dagelijks leven levensbeschouwelijke kledij of symbolen om geloofsredenen?
Zoals verwacht dragen de meeste respondenten geen levensbeschouwelijke kledij of symbolen om geloofsredenen.

Q46 Heb jij de indruk dat jouw levensbeschouwing een invloed heeft gehad op jouw studiekeuze in het hoger onderwijs? Duid het juiste antwoord aan waarbij cijfer 1 staat voor ‘geen invloed’ en cijfer 5 voor ‘zeer grote invloed’.
Zoals verwacht heeft levensbeschouwing voor de meeste respondenten geen invloed gehad op de studiekeuze in het hoger onderwijs.

Q47 Denk jij dat jouw levensbeschouwing een invloed zal hebben op jouw jobkeuze? Duid het juiste antwoord aan waarbij cijfer 1 staat voor ‘geen invloed’ en cijfer 5 voor ‘zeer grote invloed’.
Zoals verwacht heeft levensbeschouwing voor de meeste respondenten geen invloed op hun jobkeuze. De invloed van levensbeschouwing op de jobkeuze is wel iets groter dan de invloed op de studierichting.

Q48 In welke mate hecht jij er belang aan dat jouw partner dezelfde levensbeschouwing aanhangt? Duid het juiste antwoord aan waarbij cijfer 1 staat voor ‘uiterst onbelangrijk’ en cijfer 5 voor ‘heel belangrijk’.
Ik vind dat mensen dit opvallend belangrijk vinden. Uit de vorige resultaten blijkt al dat de partners van de respondenten meestal dezelfde levensbeschouwing hebben.

Q49 Wil jij ooit kinderen?
Ik vind het percentage ‘weet niet’ groter dan verwacht, net zoals bij de huwelijksverwachtingen. Verder vind ik het percentage dat kinderen wilt hebben iets groter dan verwacht.

Q50 Indien je kinderen wenst: wil jij levensbeschouwing een plaats geven in de opvoeding van jouw kind(eren)?
Ik had verwacht dat de respondenten dit niet zouden willen doen, aangezien ze zelf niet zo zeer expliciet gelovig zijn. Vele respondenten blijken dit echter wel te willen doen of het niet te weten. Dit kan opnieuw naar het fenomeen van cultuurchristenen te maken hebben.

Q51 Indien jij kinderen wenst: ben jij van plan om jouw kind(eren) te laten deelnemen aan levensbeschouwelijke overgangsrituelen (bv. doopsel, communie, lentefeest …)?
Hier willen opnieuw meer respondenten dit doen dan verwacht. Velen weten het ook nog niet. De redenen hiervoor kunnen interessant zijn voor verder onderzoek en analyse.


Q52 Welke levensbeschouwing hang jij aan?
Er zijn meer rooms-katholieke respondenten dan verwacht. Het aantal islamieten en atheïsten had ik echter iets hoger ingeschat.