woensdag 5 november 2014

Voorbereiding bijeenkomst (3)

Vandaag heb ik dus wat meer informatie opgezocht over alle mogelijke dingen waar men op moet letten bij het opstellen van de vragenlijst. Ik heb mij voornamelijk geconcentreerd op de tekst van Jaak Billiet 'Proposal for questions on religious identity'. Ik zal morgen voor de bijeenkomst hier en daar nog iets anders verwoorden en de bibliografie verbeteren.

De tekst die ik heb is de volgende:
Factoren om rekening mee te houden
In de tekst is er reeds verwezen naar het probleem van sociale wenselijkheid en stereotypering. Er heerst echter ook veel discussie over de verschillende dimensies om religieuze identiteit te meten. Verder is het meten van impliciete religie problematisch. Verschillende gebruiken, geloven en cognities hebben namelijk een subjectieve religieuze betekenis afhankelijk  van de leefwereld van de actor. Hiervoor moet men opletten bij survey-research. Het is beter de vragenlijst eenvoudig te houden in de plaats van een complexe multidimensionale aanpak te gebruiken. Deze dimensies zijn afhankelijk van de vraag. Ten slotte is een goede theoretische onderbouw van de metingen nodig.

Daarnaast zijn er verschillende soorten vragen, namelijk one-step questions, two-step questions en one-and-a-half-step questions. Het effect van verwoording is steeds groter geworden. Er moet ook rekening gehouden worden met contexteffecten door voorgaande vragen. Een volgend probleem is de asymmetrie tussen degene die tot een religie behoren en die dat niet doen. De eerste categorie heeft meer differentiatie in de graad van participatie dan de tweede. Er is ook een verschil tussen formeel en subjectief tot een kerkgemeenschap te behoren.

Oplossingen hiervoor zijn bijkomende vragen stellen over de intensiteit van aansluiting en een distinctie te maken tussen 'niet-religieuze levensfilosofie' en 'geen'. Een aanrader is een twee-stap aansluitingsvraag gecombineerd met een vraag over vroegere aansluiting en een intensiteit- en participatievraag. Je kunt het beste starten met de aansluitingsvraag en differentiëren tussen 'geen levensfilosofie' en 'niet-geïnstitutionaliseerd wereldbeeld'. Ten slotte is een responskaart noodzakelijk en moeten participanten zelf coderen.

We moeten ook rekening houden met onze multiculturele en pluralistische samenleving door ervoor te zorgen dat onze vragen voor iedereen van toepassing zijn. De kerndimensies van religieuze aansluiting en kerkbetrokkenheid, algemene religiositeit en religieuze orthodoxie hebben geen gestandaardiseerde meetvoorschriften. Aansluiting- en participatievragen zijn het beste. Deze handelen duidelijk over identificatie met sociale (religieuze) groepen. Bij de aansluitingsvragen zijn niet-religieuze wereldbeelden mogelijk indien ze geïnstitutionaliseerd zijn. Hierbij wordt de one-and-a-half-step question aangeraden. Intensiteit is een meer subjectieve manier om de kracht van het toebehoren te meten. Men moet zich afvragen of vragen over participatie in religieuze diensten toepasbaar zijn voor alle religies. Vragen over het gebed zijn meer universeel dan de religieuze participatievraag. Optioneel is te vragen over het geloof in God. Dit zorgt voor differentiatie bij degene die geclassificeerd zijn als 'niet behorend tot een religie' en zorgt ook voor differentiatie in andere categorieën.

Als de respondent niet tot een kerkgenootschap behoort zou men kunnen vragen of men in het verleden tot een kerkgenootschap behoorde. Verder is het cruciaal te vragen hoe vaak men naar religieuze diensten gaat. Er kan ook gevraagd worden naar intensiteit via hoe sterk men gehecht is aan de kerkgenootschap. Ten slotte kan er ook naar het gebed gevraagd worden. Dat is meer universeel dan de religieuze praktijkvraag (Billiet).


bibliography



Geen opmerkingen:

Een reactie posten