De tekst die ik heb is de volgende:
Factoren om rekening mee te houden
In de tekst is er reeds verwezen naar het probleem van
sociale wenselijkheid en stereotypering. Er heerst echter ook veel discussie
over de verschillende dimensies om religieuze identiteit te meten. Verder is het
meten van impliciete religie problematisch. Verschillende gebruiken, geloven en
cognities hebben namelijk een subjectieve religieuze betekenis afhankelijk van de leefwereld van de actor. Hiervoor moet
men opletten bij survey-research. Het is beter de vragenlijst eenvoudig te
houden in de plaats van een complexe multidimensionale aanpak te gebruiken. Deze
dimensies zijn afhankelijk van de vraag. Ten slotte is een goede theoretische
onderbouw van de metingen nodig.
Daarnaast zijn er verschillende soorten vragen, namelijk
one-step questions, two-step questions en one-and-a-half-step questions. Het
effect van verwoording is steeds groter geworden. Er moet ook rekening gehouden
worden met contexteffecten door voorgaande vragen. Een volgend probleem is de asymmetrie
tussen degene die tot een religie behoren en die dat niet doen. De eerste
categorie heeft meer differentiatie in de graad van participatie dan de tweede.
Er is ook een verschil tussen formeel en subjectief tot een kerkgemeenschap te
behoren.
Oplossingen hiervoor zijn bijkomende vragen stellen over de
intensiteit van aansluiting en een distinctie te maken tussen 'niet-religieuze
levensfilosofie' en 'geen'. Een aanrader is een twee-stap aansluitingsvraag
gecombineerd met een vraag over vroegere aansluiting en een intensiteit- en
participatievraag. Je kunt het beste starten met de aansluitingsvraag en
differentiëren tussen 'geen levensfilosofie' en 'niet-geïnstitutionaliseerd wereldbeeld'.
Ten slotte is een responskaart noodzakelijk en moeten participanten zelf
coderen.
We moeten ook rekening houden met onze multiculturele en
pluralistische samenleving door ervoor te zorgen dat onze vragen voor iedereen
van toepassing zijn. De kerndimensies van religieuze aansluiting en
kerkbetrokkenheid, algemene religiositeit en religieuze orthodoxie hebben geen
gestandaardiseerde meetvoorschriften. Aansluiting- en participatievragen zijn
het beste. Deze handelen duidelijk over identificatie met sociale (religieuze)
groepen. Bij de aansluitingsvragen zijn niet-religieuze wereldbeelden mogelijk
indien ze geïnstitutionaliseerd zijn. Hierbij wordt de one-and-a-half-step
question aangeraden. Intensiteit is een meer subjectieve manier om de kracht
van het toebehoren te meten. Men moet zich afvragen of vragen over participatie
in religieuze diensten toepasbaar zijn voor alle religies. Vragen over het
gebed zijn meer universeel dan de religieuze participatievraag. Optioneel is te
vragen over het geloof in God. Dit zorgt voor differentiatie bij degene die
geclassificeerd zijn als 'niet behorend tot een religie' en zorgt ook voor
differentiatie in andere categorieën.
Als de respondent niet tot een kerkgenootschap behoort zou
men kunnen vragen of men in het verleden tot een kerkgenootschap behoorde.
Verder is het cruciaal te vragen hoe vaak men naar religieuze diensten gaat. Er
kan ook gevraagd worden naar intensiteit via hoe sterk men gehecht is aan de
kerkgenootschap. Ten slotte kan er ook naar het gebed gevraagd worden. Dat is
meer universeel dan de religieuze praktijkvraag (Billiet).
bibliography
Geen opmerkingen:
Een reactie posten