Dit bericht gaat over het vervolg van het vijfde hoofdstuk van Dierickx.
Oorzaken van religieuze ervaring
Een menswetenschapper hoort niet enkel verklaringen te zoeken voor het geloof, maar ook voor het ongeloof. Als de religieuze ervaring geïnterpreteerd is, is deze interpretatie afhankelijk van uiteenlopende mogelijkheden die de cultuur en taal ter beschikking stellen.
Endogene objectieve oorzaken
Endogene objectieve oorzaken beginnen bij de hersenactiviteit. Alle menselijke ervaringen hebben een biologische infrastructuur. Het disciplineren van lichaamsbewegingen en van de ademhaling heeft lichamelijke veranderingen tot gevolg die innerlijke rust, kalmte, meditatie en religieuze ervaringen bevorderen. Men kan ook kunstmatige middelen gebruiken. Enkel experimenten met chemische stoffen hebben succes opgeleverd. Voor proefpersonen heeft een kunstmatig opgewekte ervaring niet de diepgang en kwaliteit van de natuurlijke. Er is ook succes geweest in neurologisch onderzoek bij het stimuleren van bepaalde onderdelen van de hersenen.
Het verband tussen biologische gegevens en religiositeit werd vooral onderzocht op basis van klinische gegevens. Onderzoekers hadden aandacht voor beschadigingen van de hersenen die afwijkende psychologische toestanden tot gevolg hadden. Het is moeilijk om een direct verband te leggen tussen genetische gegevens en kenmerken van de menselijke persoonlijkheid. De religiositeit van de mensheid heeft zich in een relatief korte tijd verspreid door een proces van culturele diffusie. De biologische evolutie heeft een niveau bereikt waarop haar functionaliteit overgenomen wordt door die van de culturele evolutie. Religiositeit kan beter verklaard worden door een cultureel leerproces waarbij genetische dispositie behulpzaam is. De ontwikkeling van hersenen doorloopt verschillende fasen waarin telkens de mogelijkheid ontstaat voor nieuwe leerprocessen. Het leervermogen van de hersenen is mede afhankelijk van de sociale en culturele omgeving.
De werking van de hersenen wordt mede bepaald door lagere factoren, zoals neuronen en chemische stoffen. Ze wordt echter ook bepaald door hogere factoren, zoals interactie met de omgeving. De religieuze activiteit doet zich voor in delen van de hersenen die ingeschakeld worden bij cognitieve handelingen en interpersoonlijke relatievorming. Er is een analogie tussen interpersoonlijke en religieuze ervaringen. Eén mogelijke interpretatie van het samengaan van objectieve hersenactiviteit en van religieuze ervaringen bestaat erin deze ervaringen te herleiden tot een werking van de neuronen. Nog andere overwegingen doen veronderstellen dat het verband tussen hersenwerking en religiositeit van zeer indirecte aard is. Religie is wellicht een activiteit van het menselijk bewustzijn in zijn geheel met een netwerk van vele onderling interactieve substraten.
Belangrijk voor het onderzoek is te weten welk aspect van religiositeit men aan het onderzoeken is. Religiositeit zou nauwkeuriger kunnen worden omschreven door het te situeren in een sequentie van ontwikkelingen van andere psychologische vermogens. Men moet zich ook hoeden voor het verwaarlozen van de interactie tussen factoren en van het belang van tussenliggende factoren. Verklaringen kunnen verwacht worden van processen waarin het organisme actief inwerkt op zijn omgeving. Het komt erop aan uiterst complexe verschijnselen zoals de religieuze ervaring niet reductionistisch te willen verklaren door te wijzen naar één enkele factor op een veel lager niveau van complexiteit. Er bestaat geen gen om religie te verklaren. We hebben enkel het samengaan van verschijnselen geconstateerd en niet hun oorzakelijkheid.
Exogene objectieve oorzaken
Nurture gaat ervan uit dat religieuze menselijke activiteiten aangeleerd zijn door controlemechanismen in de omgeving. De religieuze spiritualiteit zou het product zijn van deze externe controle en dus louter kunstmatig en willekeurig zijn. Religiositeit heeft echter wel een biologisch substraat. Er speelt een genetische erfelijkheid mee. Het leerproces van de mens wordt beïnvloed door zijn vermogen tot kritisch zelfbewustzijn. De religiositeit ontspringt dus ten dele uit een natuurlijk leervermogen en ten dele uit een leerproces.
De evolutietheorie zegt dat religie zou ontstaan zijn, omdat ze functioneel is voor het overleven in de strijd om het bestaan. Religieuze mensen worden echter niet enkel opgeroepen tot solidariteit, maar ook tot altruïsme. Als sommige individuen altruïstische neigingen vertonen, verwerven de egoïsten een beslissend voordeel. Men hoeft geen beroep te doen op de biologische evolutie om de verschijning van de (altruïstische) religie te verklaren.
Subjectieve oorzaken: endogene en exogene
Dit zijn psychoanalytische verklaringen. Ze zoeken een oorzaak voor religiositeit in herinneringen uit de vroege kinderjaren. Voor Sigmund Freud wortelt de religie in de herinnering aan de kinderlijke angst voor het leven en de voortvloeiende behoefte aan bescherming door de vader. Bij Freud is het godsbeeld vijandig en hard. Andere psychoanalytici zeggen dat een hoge zelfachting samengaat met een positief godsbeeld en een lage zelfachting met een negatief godsbeeld.
Volgens Carl Jung moesten religieuze archetypes onderkend en tot uitdrukking gebracht worden. Erikson meende dat religie teruggaat op het basisvertrouwen dat het kind heeft in zijn moeder. De menselijke identiteit wordt volgens hem ook gevormd in latere fasen van de ontwikkeling. Religiositeit zal zich steeds verder ontwikkelen dankzij opeenvolgende crisissen. Ritualisering is een mogelijkheidsvoorwaarde voor de ontmoeting tussen mensen. Dit geeft aan de ontmoeting haast een religieus karakter. De attachment theory gaat ervan uit dat de verhouding tussen God en het individu voortvloeit uit de verhouding van dat individu tot zijn ouders.
Gevolgen van religiositeit en spiritualiteit
Er zijn twee onafhankelijke variabelen: algemene religiositeit en de meer specifieke spiritualiteit. De onderzoeker kan pijlen naar de waarachtigheid van de spiritualiteit. De kwaliteit van de spiritualiteit kan getest worden aan haar gevolgen. De onderzoeker kan ook willen weten welke gevolgen de religiositeit/spiritualiteit heeft, afgezien van haar waarachtigheid. De spiritualiteit van de ons vertrouwde religieuze traditie leidt tot het respecteren van strengere morele eisen. De sociaaleconomische factoren wegen echter zwaarder door op houdingen dan het religieuze. Individuen met geen religiositeit huldigen meer humanitaire waarden, individuen met iets meer religiositeit minder humanitaire waarden en die met de meeste religiositeit opnieuw meer humanitaire.
De extern religieuze individuen hanteren religiositeit als een middel om een ander doel te bereiken (= conventionele religiositeit). De intern religieuze individuen beschouwen hun religiositeit als een doel op zich. De zoekende religiositeit zou het individu uitnodigen om zich te confronteren met de vragen die oprijzen uit de tragedies van het menselijke bestaan. Bepaalde vormen van religiositeit kunnen een bedreiging vormen voor de gezondheid, maar is voornamelijk bevorderlijk voor de mentale gezondheid.
De KULeuven maakt een distinctie tussen gelovige en ongelovige spiritualiteit en een distinctie tussen prekritische en postkritische geloofshoudingen. De beoefenaars van religieuze meditatie zijn beter in staat om positieve, vertrouwvolle relaties aan te gaan met andere, onbekende mensen. De religie is een soort ideologie die collectief gedragen wordt en die dus naast spirituele ook rituele en culturele dimensies heeft.
Besluit
De religieuze ervaring in al haar varianten is moeilijk te bestuderen. Religiositeit van individuen heeft doorgaans gevolgen die gunstig zijn voor de lichamelijke en de geestelijke gezondheid. De beschrijvingen van de religieuze ervaringen lopen sterk uiteen. Er ontbreekt een duidelijke typologie van de religieuze ervaringen en harde gegevens over de verspreiding van de religiositeit onder de bevolking. Religiositeit is een subjectieve werkelijkheid die moeilijk gevat kan worden door objectiverende empirische methodes. Het meest omstreden zijn de verklaringen van de religieuze ervaring die door biologen en psychoanalytici worden voorgesteld. Religieuze ervaring heeft wel iets te maken met de werking van de hersenen en kan dus gemanipuleerd worden. Op vele vragen worden geen sluitende antwoorden gevonden, maar ondertussen kunnen toch al een aantal denkbeelden over religieuze ervaring verworpen worden als eenzijdig, voorbarig of uit de lucht gegrepen. Ten slotte verwijzen de hedendaagse neuropsychologen graag naar het belang van situationele gegevenheden van sociale en culturele aard en naar andere 'top down' factoren die religiositeit kunnen bevorderen of verhinderen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten