maandag 6 oktober 2014

ESS questionnaire p.15-30

Deze blog gaat over het vervolg van de tweede tekst over de ESS questionnaire p. 15-30.

Er is geen overeenstemming over de dimensies en indicatoren voor religie. Het is beter de vragenlijst eenvoudig te houden in de plaats van een complexe multidimensionale aanpak te gebruiken. De dimensies zijn afhankelijk van de vraag. Een goede theoretische onderbouw van de metingen is noodzakelijk. Dit ontbreekt echter in de EVS. Interessant voor de vragenlijst zijn 'algemene religiositeit, religieuze orthodoxie en vertrouwen in de kerken'.

1. Indicatoren voor religieuze betrokkenheid
Belangrijk hierbij zijn vragen over de huidige en vroegere participatie in geïnstitutionaliseerde religieuze activiteiten en associaties.
Indicatoren en types van kerkbetrokkenheid staan in tabel 1.2 op p. 17.
Er zijn verschillende soorten vragen, namelijk one-step questions, two-step questions en one-and-a-half-step questions. Het effect van verwoording is steeds groter geworden.
Bij het behoren tot een kerkgenootschap horen verschillende vragen, namelijk doop, registratie, kerkbelastingen, subjectieve gevoelens van erbij te horen, de graad van engagement en participatie in religieuze praktijken. 
Voor kerkbetrokkenheid is participatie aan religieuze diensten en rituelen belangrijk. Hierbij is er een verschil tussen collectieve, individuele, verplichte en aangeraden activiteiten. Participatie in wekelijkse religieuze diensten wordt het meeste gebruikt.

Verder moet er rekening gehouden worden met contexteffecten door voorgaande vragen.
Een volgend probleem is de asymmetrie tussen degene die zich zien als behorend tot een religie en degene die dat niet doen. De eerste categorie heeft meer differentiatie in de graad van participatie dan de tweede.
Er is ook een verschil tussen formeel en subjectief tot een kerkgemeenschap te behoren.
Oplossingen hiervoor zijn bijkomende vragen stellen over de intensiteit van aansluiting en een distinctie te maken tussen 'niet-religieuze levensfilosofie' en 'geen'.
Een aanrader is een twee-stap aansluitingsvraag gecombineerd met een vraag over vroegere aansluiting en een intensiteit- en participatievraag. Je kunt het beste starten met de aansluitingsvraag en differentiëren tussen 'geen levensfilosofie' en 'niet-geïnstitutionaliseerd wereldbeeld'. Een responskaart is noodzakelijk en participanten moeten zelf coderen. Ten slotte kan de lijst van religies landspecifiek zijn.

2. Religieus geloof (orthodoxie)
Dit kan gemeten worden door ja-nee items over de acceptatie van elementen in de christelijke doctrine. Dit is echter problematisch in een multiculturele en pluralistische samenleving, omdat ze enkel gebaseerd zijn op christelijke overtuigingen.

3. Algemene religiositeit
Dit is een emotionele dimensie met een intrinsieke religieuze oriëntatie. Het heeft betrekking op saillantie en toewijding. Deze vragen zijn geschikter, omdat ze algemener zijn.   
In West- en Centraal-Europa rapporteert enkel een kleine proportie een niet-christelijke religie.
De kerndimensies van religieuze aansluiting en kerkbetrokkenheid, algemene religiositeit en religieuze orthodoxie hebben geen gestandaardiseerde meetvoorschriften. 


Aansluiting- en participatievragen zijn het beste. Deze handelen duidelijk over identificatie met sociale (religieuze) groepen.
Bij de aansluitingsvragen zijn niet-religieuze wereldbeelden mogelijk indien ze geïnstitutionaliseerd zijn. Hierbij wordt de one-and-a-half-step question aangeraden.
Intensiteit is een meer subjectieve manier om de kracht van het toebehoren te meten.
Men moet zich afvragen of vragen over participatie in religieuze diensten toepasbaar is voor alle religies.
Vragen over het gebed zijn meer universeel dan de religieuze participatievraag. 
Optioneel is te vragen over het geloof in God. Dit zorgt voor differentiatie voor degene die geclassificeerd zijn als 'niet behorend tot een religie' en zorgt ook voor differentiatie in andere categorieën.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten