woensdag 22 oktober 2014

Dierickx Hoofdstuk 8 DEEL 2

Dit bericht gaat over het vervolg van hoofdstuk acht van Dierickx.

De religieuze organisatie in onze tijd
In de huidige tijd heeft de kerkgemeenschap meer dan voorheen af te rekenen met andere religieuze groeperingen die gelijkaardige diensten aanbieden. De territoriale organisatie is hoofdzakelijk gericht op degenen die volop lid zijn van de organisatie. Ze vormen een gemeenschap op basis van hun gemeenschappelijke religieuze cultuur. De functionele organisaties zijn ontstaan op basis van bepaalde gemeenschappelijke belangen.

Aanspraken op gezag zullen stoten op het toegenomen individualisme. Het vormingswerk heeft meer het karakter van een onderhandeling. Het vormingsaanbod van de kerkelijke elite krijgt af te rekenen met een intern pluralisme en groeiende intellectualisering van de leden. Er is ook een toegenomen geografische mobiliteit. De religieuze elites kunnen hierop reageren met een fundamentalistische strategie, de formulering van hun boodschap aanpassen aan de dominante cultuur en orthopraxie meer beklemtonen dan orthodoxie.

Verzuiling
Er is een sociale ruil. Leden worden gemotiveerd om zich in te zetten voor hun ideologische doelstellingen door er de belofte van particuliere goederen aan toe te voegen. Men wilt ook het parasiteren tegengaan. De gebruikers hebben een grote gevoeligheid voor de consistentie van het globale aanbod. De leden selecteren echter uit de aangeboden korf enkel wat hun het meeste aanstaat. Het idee dat goederen in de regel worden aangeboden in een korf met andere goederen leidt naar de problematiek van verzuiling. De katholieke ecclesia zal steeds een grote bevoegdheid opeisen over de culturele en schoolse vorming van haar leden, ook wat profane materies betreft. Een zuil is er wanneer de ideologisch gekleurde belangengroepen zich laten gelden in verschillende maatschappelijke sectoren en over de grenzen van die sectoren nauw met elkaar samenwerken.

Verzuiling komt voor als een organisatorische afzondering van een religieuze minderheid ten dienste van haar emancipatiestreven. De lokale geloofsgemeenschap werd wel verzwakt juist toen een behoefte aan een hechte religieuze gemeenschapsvorming opnieuw groter zou worden.
De institutionele verzuilingsgraad is de procentuele verhouding van verzuilde en niet-verzuilde organisaties in een specifieke sector en in het gehele land (macroniveau).
De interne integratiegraad is de stevigheid van de band tussen de verschillende organisaties met éénzelfde ideologische kleur (mesoniveau).
De vullingsgraad is de numerieke verhouding tussen het aantal effectieve leden dat een organisatie aantrekt en het aantal potentiële leden dat het zou kunnen aantrekken (microniveau).

De aard van ledenbinding in de verzuilde organisaties is niet zo bedenkelijk en de kwaliteit van de dienstverlening door de verzuilde organisaties moet niet betwijfeld worden. Verder is er een institutionele verzuiling op het macroniveau. Van wieg tot graf kon de katholiek al zijn activiteiten beoefenen in louter katholieke organisaties. Het milieu van de ondernemingen en financiële instellingen is niet meer verzuild. Vervolgens horen katholieke verenigingen meer thuis in een los horizontaal communicatienetwerk dan in een hechte, hiërarchische zuil. Tegenover de structurele verzuiling staat het aspect van mentale verzuiling. De mentale en structurele verzuiling zou min of meer onafhankelijk van elkaar kunnen evolueren.

De voorkeur voor een levensbeschouwelijke gekleurde organisatie is een kwestie geworden van individuele voorkeur en minder van collectieve loyaliteit. Profane spelen naast levensbeschouwelijke motiveringen ook mee. Er is een tendens tot selectieve ontzuiling.

Georganiseerde religies onderling 
Monotheïsme en gewelddadigheid
Monotheïstische religies vinden dat er slechts één ware God bestaat en dat andere goden dus vals zijn en bestreden moeten worden. De politieke overheden trachten de competitie tussen meerdere religies als een bedreiging voor de politieke orde te ervaren en daarom aan te sturen op een religieus monopolie. Er bestaat zoiets als een religieus oecumenisme.

Het christendom heeft in zijn heilige geschriften afstand genomen van iedere gewelddadigheid om het geloof te verspreiden. Bij godsdienstoorlogen was er een vermenging van wereldlijk en kerkelijk gezag. Vervolgens vonden de strijdende partijen het toegelaten om de tegenstanders van hun heilige zaak met geweld te bestrijden, omdat er vele fundamentalistische lezingen van de Bijbel mogelijk zijn.

De tijd van het oecumenisme
Theologische ontwikkelingen
Er is een verdieping van de theologische inzichten. In een religie komen altijd meer liberale naast meer fundamentalistische strekkingen voor. De fundamentalistische geven doorgaans meer aanleiding tot felle conflicten met religieuze rivalen. Er is nu een minder fundamentalistische tendens. De religie wordt meer gezien als een kwestie van emotie en gevoel dan van intellectuele orthodoxie.

Sociologische verklaringen
Godsdienstoorlogen waren in grote mate religieus vermomde sociaaleconomische of etnische oorlogen. De sociaaleconomische tegenstelling tussen de religieuze kerkgemeenschappen is verzwakt en meteen ook de sociale afstand en de vooroordelen die daarmee verbonden waren. Vele voorheen minotaire protestantse denominaties hebben zich sociaaleconomisch opgewerkt. De wederzijdse tolerantie is erop vooruit gegaan. Zodra de emancipatie bereikt was, verloren denominaties en sekten hun agressief karakter.

Nu moet men zich verdedigen tegen het secularisme. De conservatieve vleugels van verschillende denominaties vormen nu front tegen de progressieve vleugels. Om hun sociale relevantie te behouden moeten religies ook een zekere omvang hebben, vooral in een complexe samenleving waarin alleen relatief complexe organisaties zich kunnen handhaven. Het aantal denominaties blijft toenemen door het ontstaan van steeds nieuwe kleine sekten. De verspreiding van bureaucratische structuren deed de denominaties meer en meer op elkaar lijken. Ten slotte loont het intense en gewelddadige conflict niet in een religieus pluralistisch bestel. Er ontstaat een religieuze marktsituatie gekenmerkt door een grote individualisering en door een marginale differentiëring tussen de concurrerende denominaties.

De religieuze elites en hun problemen
Rekrutering en baten
In de christelijke traditie heeft het religieuze beroep aanspraak gemaakt op een relatief lage economische beloning maar een relatief hoge sociale waardering. De status van de katholieke clerici heeft aan sociale waardering ingeboet.

Rekrutering en "kosten"
De clericus is nu de animator van een vrijwillige vereniging die vooral zorg draagt voor een bepaalde soort vrijetijdsbesteding, maar ieder verenigingsleven staat onder druk. De clericus moet ook voorzichtig zijn in zijn uitspraken. Voor andere beroepen valt de afweging van kosten en baten positiever uit. De vrijwilligers lopen drastisch terug en zijn minder inzetbaar. Vrijwillige inzet vraagt geen betaling, maar wel erkenning door bekenden in kleinere, minder anonieme gemeenschappen.

Differentiatie van de pastorale rollen
In een eerste fase was de pastorale rol niet sterk afgesplitst van de profane rollen. In een latere fase heeft een sterkere christelijke socialisatie het specifiek religieuze element in de pastorale rol meer beklemtoond. In de huidige fase lijdt de pastor functieverlies, soms in die mate dat de definitie van de pastorale rol vervaagt. De pastor heeft nog meerdere en sterke rollen behouden, zoals predikant, priester, animator, geestelijke raadgever en administrator. Er is wel een rollenconflict dat opgelost kan worden door taakverdeling en specialisatie. Wanneer de omvang van het corps slinkt, treedt er echter een tendens op om de meer marginaal geachte taken op te offeren ten bate van het basispastoraat. Het corps heeft specialisten nodig. De eigenlijke pastores heeft een dubbele functie: to comfort en to challenge: de bemoedigende en de uitdagende, de priesterlijke en de profetische. De gewone gelovige wordt echter niet graag gecontesteerd door de profetische functie.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten